De drogist en de apotheker
Heel eenvoudig uitgelegd werkte de drogist van oudsher vooral met de simplicia en de apotheker met de composita.
Een simplex is een enkelvoudige grondstof. Denk aan een gedroogd kruid, een wortel, hars, gom, olie, mineraal of chemische stof. Drogisten kochten deze grondstoffen in, beoordeelden de kwaliteit, bewaarden ze en leverden ze onder andere aan apothekers. De apotheker kon verschillende simplicia vervolgens volgens een recept verwerken tot een compositum: een samengesteld geneesmiddel.
Dat betekent niet dat de drogist uitsluitend zakken en potten met losse grondstoffen over de toonbank schoof. Drogisten maakten ook eigen kruidenmengsels, maalden en mengden grondstoffen en bereidden verschillende producten. Ook het draaien van pillen hoorde bij het vak.
De grens tussen beide beroepen was in de dagelijkse praktijk dus minder strak dan deze eenvoudige uitleg misschien doet vermoeden. De drogist was leverancier, bereider, winkelier en kenner van een indrukwekkende hoeveelheid natuurlijke en chemische grondstoffen.
Het oude woord droogerij verwijst naar de waren waarin werd gehandeld: onder andere gedroogde kruiden, wortels, specerijen, harsen en gommen. Van der Pigge begon dan ook als een ‘affaire in droogerijen, chemicaliën en verfwaren’.
In de leer bij de apotheker
Wie in de negentiende eeuw drogist wilde worden, ging bij een apotheker in de leer. Een aparte drogistenopleiding zoals wij die later leerden kennen, bestond nog niet.
Dat gold ook voor onze oprichter Antonie Johannes van der Pigge. In 1841 ging hij als jonge man in de leer bij Martin Beets, een Haarlemse apotheker en de vader van schrijver Nicolaas Beets. Daar leerde Antonie het vak in de praktijk. Hij deed kennis op over de grondstoffen die werden verkocht, leerde chemicaliën mengen en recepten bereiden en oefende zich in het draaien van pillen.
In 1844 slaagde hij voor zijn examen als drogist. Vijf jaar later opende hij zijn eigen zaak in de Gierstraat.
Als wij dus vertellen hoe vroeger pillen werden gedraaid, hebben we het niet over een ambacht dat uitsluitend bij de apotheek hoorde. We kijken ook rechtstreeks naar het vak dat onze eigen oprichter heeft geleerd.
Van deeg naar pil
Een pil was vroeger een heel specifieke bereidingsvorm: een klein handgedraaid bolletje. De fijngemalen bestanddelen werden vermengd met een bindmiddel zoals Arabische gom, honing of siroop. Daardoor ontstond een stevige en enigszins kleverige massa die wel iets weg had van deeg.
Die massa werd op het vlakke gedeelte van een pillenplank uitgerold tot een lange dunne streng. Zo’n streng werd ook wel een pijp genoemd. Vervolgens werd hij tussen twee geribbelde metalen delen gelegd. Door het bovenstuk over de plank te bewegen werd de streng in gelijke stukjes verdeeld.
De stukjes waren daarna nog niet mooi rond. Daarvoor werden ze onder een pillenronder gelegd: een rond houten plankje met een bijpassende schijf. Door met die schijf draaiende bewegingen te maken, veranderden de afzonderlijke stukjes in kleine bolletjes.
Dat draaien vereiste aandacht. De pillen moesten ongeveer even groot zijn en allemaal dezelfde hoeveelheid van het mengsel bevatten. Een goede pillendraaier leverde nauwkeurig handwerk.
Sommige pillen werden afgewerkt met een laagje poeder, zoals gemalen zoethout, om het aan elkaar kleven te voorkomen in de verpakking. Voor klanten die het zich konden veroorloven, konden ze zelfs met eetbaar bladgoud worden verguld. Of de werking daardoor beter werd, lijkt ons niet. De verpakking om elke pil was in ieder geval behoorlijk deftig.